Bosbouw: methodologie, nut en de toekomst

Sinds 1 januari 2026 kent Landgoed Welna een nieuwe boswachter: Reint-Jan van de Bunte. Hij nam het stokje over van Rob Fernandes, die ruim veertig jaar zorgdroeg voor het bos op het landgoed. Directeur Gerbrand Burger ging in gesprek met Van de Bunte over zijn visie op bosbeheer, revitalisering en de invloed van veranderende klimaat- en weercondities op de groeipotentie van het bos.
G: Hoe ben je bosbeheerder geworden?
R: Als kind wilde ik altijd al boswachter worden. Van huis uit ben ik altijd veel met natuur bezig geweest. Ik kom uit Harderwijk, een enorm bos- en waterrijke omgeving. Mijn studiekeuze was er eigenlijk alleen maar op gericht om in die omgeving te kunnen werken. Het werd de studie Bos- en Natuurbeheer in Apeldoorn. Ik koos deze opleiding omdat ik de praktische leerschool heel leuk vind. Met dit beroep moet je echt naar buiten treden om het te ervaren. Gedurende die opleiding heb ik regelmatig stage gelopen, eigenlijk wel op alle landgoederen in de buurt, waar ik heel goede herinneringen aan heb overgehouden. Vervolgens heb ik ook de hbo-opleiding gedaan op Larenstein.
G: Wat trok je aan in de vacature van boswachter juist op Landgoed Welna?
R: Ik heb geen moment getwijfeld om op de vacature te reageren. Vrij snel na mijn eerste stage wist ik wel dat ik, als ik mocht kiezen, het liefst op een landgoed op de Veluwe zou willen werken. Met Landgoed Welna is die wens, gezien het gebied en de organisatie, meer dan uitgekomen. De uitdaging maar ook de eigenzinnigheid van een particuliere organisatie spreekt mij heel erg aan. Bij grotere organisaties heb je veel specialiteiten en kennis in huis, wat ontzettend mooi is, maar elke beslissing moet dan besproken worden binnen alle lagen van de organisatie Op Welna bespreken we de plannen op een kleine schaal, wat de mogelijkheid biedt om een idee gewoon te proberen en te zien hoe het gaat. Dat vind ik heel erg mooi.
Het is heel belangrijk om eerst te kijken vanuit de behoefte van het bos zelf, en dan pas naar wat het kan opleveren.
G: Kan je iets vertellen over de visie op bosbeheer op Welna, en welke dingen jij zou willen implementeren op dit landgoed specifiek?
R: In het kort werken we aan kleinschalig bosbeheer met kwaliteitshout en continue oogst.
De houtoogst is een belangrijke financiële bodem voor het landgoed. Er is veel behoefte aan hout en je kunt het goed als duurzaam product inzetten. Wat ik heel mooi vind op Welna is dat de nutsfunctie van het bos, bijvoorbeeld de houtoogst, goed wordt overwogen. Het is heel belangrijk om eerst te kijken vanuit de behoefte van het bos zelf, en dan pas naar wat het kan opleveren. De vraag is dus vooral: waar kunnen we het bos goed mee doen en hebben wij dan vervolgens ook nog wat aan die producten? Dit houdt in dat je veel kleinschaliger bezig bent en het beheer boomsgewijs benadert. Je haalt je hout uit zo klein mogelijke ingrepen waar je financieel wel een optimaal resultaat mee kan behalen. Deze vorm van bosbeheer zie je tegenwoordig op veel verschillende plekken. Dat betekent niet dat het niet uitdagend is en dat het overal praktisch uitvoerbaar is, maar als het mogelijk is komt dat meerdere aspecten ten goede.

G: Hoe werkt zo’n boomsgewijze benadering?
R: Het contrasteert met een methode die voorheen veel werd toegepast: de toekomstbomenmethode. Plat gezegd houdt dit in dat je aan het begin enkele bomen kiest die je in de gehele omloop van een bos steeds vrijzet. Je beheert een opstand dan dus met het doel om die bomen als laatste over te houden. Wanneer je dat punt hebt bereikt, zaag je deze laatste bomen om, en dan begin je weer opnieuw. Met de boomsgewijze methode begin je met de vraag of het überhaupt nodig is om in een bepaald bosbestand in te grijpen.
Die benadering is erop gericht om een boom te kappen op het moment dat die het optimale resultaat oplevert. Dat hangt af van de boomsoort, de houtkwaliteit en de dikte van de boom. Een douglasspar die krom groeit en veel takken bevat gaat bijvoorbeeld nooit heel mooi hout opleveren, dus die kan je al kappen bij een stamdikte van 40 centimeter. De waarde zal niet meer toenemen voor die boom. Anderzijds levert een douglas die kaarsrecht groeit en takvrij is meer geld op naarmate die dikker groeit. Zolang er een waardestijging in het hout zit, dan kap je de boom niet. Je kijkt dus naar wat iedere boom kan opleveren, en kapt de bomen met een lager rendement om ruimte te maken voor de optimale bomen. Eerder werden de dunner groeiende bomen vaak al opgeruimd, terwijl je vanuit deze methode dus dikkere bomen met een slechtere kwaliteit er eerder uithaalt om ruimte te maken voor de trager groeiende bomen die op lange termijn wel meer opleveren.Een vrij financieel verhaal, maar uitgangspunt blijft; we kappen enkel ten gunste van het bos zelf.
G: Ik kom in de landbouw regelmatig het woord regeneratie tegen, waarmee wordt gewezen op een methode die is gericht op het verrijken van een bepaald gebied en het herstellen van wat verloren is gegaan. Gebruik je dat begrip ook in de bosbouw?
R: In het bosbeheer maken we eerder gebruik van de term revitalisering, maar ik denk dat je het onder dezelfde noemer zou kunnen plaatsen. Het revitaliseren van het bos of de natuurterreinen is een belangrijk onderwerp in Nederland de laatste jaren. Op Welna zijn we daar ook zeker mee bezig. We planten bijvoorbeeld nieuwe soorten die bepaalde voedingsstoffen terugbrengen in de bodem, dit noemen we rijkstrooiselsoorten . Deze soorten hebben goede bladeigenschappen die als strooisel helpen aan bodemverbetering.
G: Waarom is de bodem zo slecht?
R: De Veluwe kent als gebied een lange geschiedenis. Het landgebruik in de middeleeuwen is hier een belangrijk onderdeel van. Door houtkap en overmatige begrazing ontstonden uitgestrekte heidevelden en stuifzandgebieden. Bos was een uitzondering, zou je kunnen zeggen. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw is begonnen aan herbebossing met grove den op de uitgeputte bodem. Grove den gedijt op arme grond, kon het stuivende zand vasthouden en leverde geschikt hout voor de mijnbouw. Strooisel van grove den is helaas slecht afbreekbaar, dit komt bodemontwikkeling en -opbouw niet per sé ten goede. Maar natuurlijk moest men ergens mee beginnen. We kunnen stellen dat de bodem het op grote delen van de Veluwe zwaar heeft gehad de laatste eeuwen. Na de belangrijke herbebossing, is het aan ons de taak om ook voor de bodem aan het werk te gaan.


G: Het is dus in zekere mate nodig om van buitenaf in te grijpen? Je hoort soms dat mensen zeggen dat het beter is om van de natuur af te blijven, maar in dit geval klinkt dat niet heel rooskleurig.
R: In bepaalde gevallen kan dat vast kloppen, in onze relatief jonge bossen denk ik daar anders over. Als je het met de juiste ingrepen en op de juiste schaal doet, dan zie ik het vooral als de natuur helpen. Als je niets doet, dan zal er over 300 jaar vast iets moois ontstaan, maar dan gaat er voor die tijd ook veel verloren. De laatste jaren zie je steeds meer boomsoorten die het moeilijk hebben, vooral vanwege de droogte en hoge temperaturen. Stel je de Veluwe voor waar alle grove dennen omvallen, dan blijft er niks meer over. De tijd tikt door, dus als het aan mij ligt, werken we samen hard aan een vitaler en veerkrachtiger bos.
G: Met bosbeheer heb je te maken met lange tijdsprocessen waarbij veranderingen heel traag gaan. Als je een nieuwe baan start kan ik me voorstellen dat je veel nieuwe dingen wilt implementeren, maar in dit geval kunnen sommige dingen pas over vele jaren doorgevoerd worden. Heb je het gevoel dat je je moet inhouden?
R: Je wilt zeker niet te grootschalig gaan ingrijpen. Houtoogst is echt maatwerk, zeker in het huidige klimaat. Als ik nu te rigoureus ga oogsten , dan ga ik daar gedurende mijn loopbaan zeker spijt van hebben. Bosbeheerders die al jaren meelopen geven ook aan dat er de laatste jaren, in bepaalde opstanden, hard is ingegrepen waardoor de wind, droogte en hitte nog meer effect hebben. Maar keuzes worden altijd naar eer en geweten gemaakt, en alle perioden hebben uitdagingen. Maar met de huidige veranderingen in het klimaat die in het veld zichtbaar zijn, maak je misschien nog sneller ingrijpende fouten. Je kunt beter iets kleinschaliger werken. Het bos reguleert zichzelf ook, dus daar moet je het de tijd voor geven.

G: Daarnaast heb je natuurlijk ook te maken met het systeem dat je voorganger heeft achtergelaten. Is dat goed gedocumenteerd?
R: Zeker, Rob heeft alles heel uitgebreid en netjes vastgelegd, waardoor ik precies kan achterhalen wat er in die periode is gebeurd. Welna heeft geluk gehad dat er 43 jaar lang één beheerder op heeft gezeten. Uiteraard heeft hij over de tijd ook andere inzichten gehad, het zou vreemd zijn als je dat 43 jaar lang niet hebt, maar het bos en Welna hebben wel altijd op één gestaan. Hij is ook al langere tijd bezig met dat kleinschalige bosbeheer en dat wil ik ook voortzetten. De wet en het beleid zetten daar ook op in. Vanwege de weersextremen, waarbij langdurige droogte, hitte en regenval elkaar afwisselen, is het goed om veel verschillende boomsoorten te hebben die tegen andere omstandigheden kunnen. Als er dan enkele soorten uitvallen, dan blijven er nog andere over. Dat is niet alleen op Welna belangrijk, maar moet overal gebeuren.
Vroeger werd vaak gewerkt met één boomsoort per opstand, houtoogst technisch is dat natuurlijk een goed werkend systeem. Met het huidige systeem, met meer structuurvariatie in boomsoorten en leeftijden , wordt alles veel dynamischer. De exploitatie wordt uitdagender.. Het is fijn dat ik kan voortbouwen op het systeem van Rob. Als ik een gebied afga, dan leg ik dat zo veel mogelijk vast door middel van kaartapplicaties en markeer ik wat er dient te gebeuren. Zo weet ik dan over een paar jaar ook nog wat er is gebeurd en wat er nodig is.
G: Hoe combineer je dit werk met alle andere functies die op Welna een plek krijgen, zoals de kunstcommissie in samenwerking met Thinking Forest, maar ook de camping, recreatieverhuur en de begraafplaatsen?
R: Ieder van deze voorbeelden zijn belangrijke functies van Welna waar we heel blij mee zijn en die we graag willen behouden. Mensen komen enerzijds naar Welna voor de rust en de ruimte, waardoor extreme drukte ook niet wenselijk is. We zoeken dus altijd naar de balans om deze belangrijke functies aan te moedigen, maar ook die rust in stand te houden.


